Dyslexie , voor (para)medici

Leerstoornissen en dyslexie krijgen in toenemende mate aandacht, op school, in de media en in de huisartsenpraktijk. De huisarts [i] krijgt, in zijn functie van laagdrempelige hulpverlener, met de emotionele gevolgen van leerstoornissen te maken. Als ouders niet verder komen met de hulp die de school kan bieden, kan hij ook om advies gevraagd worden voor doorverwijzing. In geval van leerstoornissen en dyslexie bieden allerlei beroepsgroepen hun diensten aan. Naast psychologen en orthopedagogen zijn dat o.a. remedial teachers, logopedisten, fysiotherapeuten en optometristen.
In dit artikel wil ik de bijdrage die deze beroepsgroepen aan de remediering van leerstoornissen en dyslexie kunnen leveren, evalueren. Ik wil dit doen door kort de wetenschappelijke stand van zaken te schetsen en vervolgens in te gaan op de gedragslijnen die relevante Amerikaanse en Nederlandse organisaties hebben doen verschijnen inzake de hulpverlening aan kinderen met leerstoornissen en dyslexie.

Dyslexie: de wetenschappelijke stand van zaken

Dyslexie is de meest voorkomende en best onderzochte leerstoornis en waarschijnlijk ook de meest voorkomende neurologisch aanwijsbare afwijking. Naar schatting 80% van de kinderen met een leerstoornis heeft dyslexie. Internationaal wordt er gesproken over een prevalentie van 5-10% [ii], in Nederland schat de commissie Dyslexie van de Gezondheidsraad dat het percentage leerlingen met een zodanig ernstige dyslexie dat er specialistische hulp geboden is, rond de 3% ligt [iii]. Hiernaast is er een groter percentage dat met adequate remedial teaching op school geen specialistische hulp behoeft.


Dyslexie is niet het gevolg van een vertraagde ontwikkeling, het is een chronische conditie. Middelbare scholieren en volwassenen met dyslexie kunnen het lezen en schrijven redelijk onder de knie gekregen hebben, maar hebben in hun dagelijks leven last van andere taalproblemen die als symptomen van dyslexie gezien moeten worden: problemen met het verstaan van mensen in een lawaaiige omgeving, moeite met het onthouden van meerdere instructies tegelijk, moeite met het leren van 'stampwerk'. Ook blijkt erg vaak dat het stilleestempo van jongeren en volwassenen met dyslexie aanzienlijk lager is dan dat van anderen [iv].
Het is duidelijk dat dyslexie een aangeboren, erfelijke stoornis is. Als een van de ouders dyslectisch is hebben de kinderen een kans van 25-65% dit over te erven. Bekendheid in de familie met dyslexie is met afstand de grootste risicofactor. Er zijn loci op de chromosomen 6 en 15 met deze stoornis in verband gebracht [v].
Post-mortem onderzoek op breinen van dyslectici door de neurologen Geschwind en Galaburda brachten neuro-anatomische afwijkingen aan het licht. Stelselmatig werd er een duidelijke symmetrie gevonden tussen de normaal asymmetrische plana temporale, verder werd er een disorganisatie gevonden in de corticale gebieden die aan taalverwerking gekoppeld worden. Die disorganisatie bestond uit ectopieën van neuronen naar laag 1, buiten de normale locatie in de lagen 2 tot 6 van de cerebrale cortex. Vaak waren deze ectopische cellenclusters gekoppeld aan een wanordelijke structuur van de neuronale lagen direct onder deze clusters. Het aantal focale afwijkingen per brein verschilde van 20-100. De afwijkingen werden vooral in de voor taal relevante delen van de linker hemisfeer gevonden, met name rond de gyrus angularis [vi]. Ook met neurologische scantechnieken zoals computertomografie (CT) en nucleaire magnetische resonantie (NMR) werden afwijkingen bij dyslectici gevonden in de bovenbeschreven gebieden [vii].
Het psychologisch onderzoek van de laatste dertig jaar heeft ondubbelzinnig aangetoond dat dyslexie een taalprobleem is (vandaar dat de term 'woordblindheid' in ongebruik is geraakt). In de internationale dyslexieliteratuur wordt veelvuldig melding gemaakt van problemen met woordvinding, met het snel benoemen van reeksen plaatjes, met het gebruik van rijm en het verstaan van taal in een lawaaiige omgeving. Daarnaast worden er substantiële zwaktes gesignaleerd met taken waarbij het (zeer verbale) korte-duurgeheugen een rol speelt [viii].

lees meer

 


[i] Hoewel de huisarts steeds als 'hij' is aangeduid, wordt er uiteraard ook 'zij' bedoeld.

[ii] Shaywitz, S.E. (1998). Dyslexia. The New England Journal of Medicine, 338, 307-312.

[iii] Gezondheidsraad, Commissie Dyslexie (1995). Dyslexie, afbakening en behandeling. Den Haag: Gezondheidsraad (publicatie 1995/15).

[iv] zie bijv. Braams, T. (1996). Dyslexie, een complex taalprobleem. Amsterdam/Meppel: Boom.

[v] Grigorenko, E.L. et al. (1997). Susceptibility loci for distinct components of developmental dyslexia on chromosomes 6 and 15. American Journal of Human Genetics, 60, 27-39.

[vi] Galaburda, A.M. (1989). Ordinary and extraordinary brain development: anatomical variation in developmental dyslexia. Annals of Dyslexia, 39, 67-80.

[vii] Hynd, G.W. & Semrud-Clikeman, M. (1989) Dyslexia and brain morphology. Psychological Bulletin, 106, 447-482.

[viii] zie voor een overzicht T. Braams (1996). Dyslexie, een complex taalprobleem. Amsterdam/Meppel: Boom.